zaterdag 24 september 2005

Stoot

Ik ben een stoot. En niet een van het kleinste soort, al zeg ik het zelf...

Bij een stoot denken veel mensen natuurlijk meteen aan een lekker wijf of een sappig hapje, maar voordat ik word beschuldigd van onwijze - al dan niet misplaatste - egotripperij wil ik mijn lieve lezers graag nog een ándere betekenis leren van het woord stoot. Eentje die de lading dekt op de wijze die ik bedoel.
Laat ik het doen aan de hand van wat voorbeelden.

Winter 1987: Irène helpt papa met het kapotzagen en sjouwen van kachelhout. Al zwoegend en ploeterend schat ze met de korte armen vol hout de afstand tot het zaagblok net verkeerd in en ramt haar rechteroogkas frontaal tegen de zaagstellage. Een nog blauwer oog is het kleurrijke resultaat!

Carnaval 1989: Irène bouwt verkleed en geschminkt samen met twee andere kindjes een hut onder de wenteltrap bij kennissen. Al spelend en kwekkend wil ze de hut inlopen, maar in plaats van de ingang van het bouwwerk te nemen, loopt ze falikant tegen de verticale houten paal van de wenteltrap op. Een gapend gat ter grootte van de toenmalige rijksdaalder valt haar ongelukkigerwijs ten deel. Een bezoek aan de weekendhuisarts levert naast een hoop schrik vijf hechtpleisters en een indrukwekkend afdekverband op. Dit onverwachte verkleedaccessoire maakt het boevenkostuum wel in een keer helemaal af!

Kerstvakantie 1990: Niet sportieve Irène wil ook wel eens een keertje keepen tijdens de handbaltraining (want dan hoef je minder te rennen) en stapt manmoedig de goal in om hem met haar leven te bewaken. Drie doorgelaten ballen later ligt ze huilend op de grond met haar linkerpols in een ietwat merkwaardige hoek ten opzichte van de rest van haar onderarm. Een röntgenfoto bij de EHBO wijst uit dat de pols gebroken is en zes weken gips nodig heeft. Prettige kerstvakantie en een gelukkig nieuwjaar!

Kortom: ik ben nogal onhandig. Ik zit voortdurend onder de blauwe plekken en stoot me iedere dag wel een paar keer aan de tafel, bezeer me aan de punt van een openstaand keukenkastje of struikel onhandig over de voor mijn voeten drentelende hond.
Mijn vader vindt mij behalve erg lief, leuk, aardig, grappig, mooi en slim ook best lomp en heeft mij daarom lang geleden al de onflateuze bijnaam Ralf het Kalf gegeven; een vrije variant op lomp kalf.
Op zich vind ik dat niet zo heel erg hoor, ik weet immers wie het zegt en hoe (on)handig diegene zelf door het leven struikelt, valt en botst.
Want het is toch echt mijn lieve, bloedeigen vadertje die zich keer op keer tot bloedend middelpunt van andermans feestje of uit de hand gelopen kluspartijtje weet te manouvreren!

Geen opmerkingen: