vrijdag 26 december 2014

Augustus

Woensdag, 13 augustus

Mijn lijf doet pijn. Overal. Spieren, gewrichten, alles. In mijn rechterarm zit weer een piccline. Gisteravond ben ik aangesloten. Dit keer krijg ik Meronem en Colistin. Het is de eerste keer dat ik met deze antibiotica kuur.
Als Sjoerd gaat werken blieb ik de boxspring omhoog in de hoop een comfortabele houding te vinden. Om 9:30 uur gaat de bel. Ik vermoed dat het mijn moeder is. Zij moest in de stad zijn en ik denk dat ze even langskomt om te kijken hoe het gaat. En of ze iets voor me kan doen. Ik kan mijn bed echter niet uit. Zoveel pijn heb ik. Voor de zekerheid neem ik mijn temperatuur op, verhoging. Daarna bel ik mijn moeder. Ze bleek niet aan de deur te hebben gestaan. Ik vraag of ze wil komen. En haar eigen sleutel meeneemt.

Tegen half elf zijn mijn ouders er. Dat is fijn. Als je je ellendig voelt doe je dat liever niet in je eentje. Intussen heb ik contact gezocht met de CF-verpleegkundige. Voorlopig moet ik het aanzien en als het slechter gaat en de koorts stijgt moet ik opnieuw bellen.
De koorts gaat stijgen. Ik begin een beetje in paniek te raken. Ik zak door het matras van ellende. De pijn is niet te houden, paracetamol ten spijt. Ik meen hem nu ook in mijn borst te voelen. En in mijn linker arm. Ik vraag of mijn moeder de huisarts belt. Een mijlpaal.
De huisarts is er binnen een half uur. Hij aanschouwt, luistert, voelt en meet. Mijn saturatie is 85%. Ik krijg een zuurstofbrilletje op waar 3 liter zuurstof per minuut doorheen wordt geblazen. Mijn angst voor een hartaanval weet weg te nemen. Het is mijn hart niet. Hij legt contact met Utrecht. Mijn longarts wil me acuut naar de witte bunker hebben. Ik heb geen idee hoe ik uit bed kom, laat staan de trap af. Met de auto van mijn ouders gaan is geen optie. "Dan bel ik een ambulance," zegt de huisarts kalm. Ik zie dat hij wat op een briefje schrijft en dat naast me op bed legt. In een onbewaakt moment werp ik een blik op de tekst. Hij denkt aan een longembolie. Heel geruststellend.
Intussen pakt mijn moeder een tasje in. Ik dirigeer haar van boven naar beneden. We spreken af dat pap bij Sara blijft en mam mee gaat in de ambulance. Sjoerd is in Eindhoven en rijdt rechtstreeks naar Utrecht. Wat een gedoe.
Dan gaat de bel. Een van de ambulancebroeders is een bekende van mijn vader. Het zal ook eens niet. De mannen zijn erg lief voor me. Behendig word ik uit bed getakeld. Stapje voor stapje schuifelen we naar beneden. Een man voor me uit, een achter me aan die me onder mijn oksels vast heeft. In de hal word ik op de brancard geholpen. We rollen naar buiten, naar de gele taxi. In mijn ooghoek zie ik de buurvrouw geknield in de voortuin. Fijn.
Gelukkig hoeven de toeters en bellen niet aan. Ik kon niet zien welk model de ambulance heeft. Ik hoop maar dat het zo'n soort A-teambus is. Imago voor alles hè. Het ligt klote op dat harde, smalle bedje. Met mijn teen worstel ik met het laken dat over me heen ligt. Te warm, te koud. Ik vraag of de radio aan mag. Goed voor wat afleiding en handig voor de tijdsindicatie. Na anderhalf uur zie ik stadion Galgenwaard. Dat betekent dat we er bijna zijn. En vervolgens vraag ik me af waarom we in vredesnaam de route door de stad nemen.

Op de SEH zwenken mijn achterdeuren open en kijk ik recht in Sjoerds gezicht. Zijn ogen staan angstig en zijn lip trilt. We rollen naar binnen, van de low care door naar de high care. Behoorlijk opbeurend.
Een stoet aan witte jassen trekt voorbij. Hartfilmpje, bloedgas, gewoon bloed, röntgenfoto's, plakkers op mijn lijf om vitale functies te meten. Ik lig in een kamer waar plek is voor twee bedden. Naast me ligt een meisje dat nogal wat hechtingen in het voorhoofd nodig heeft. Gelukkig schermt een gordijntje het zicht op elkaar af maar haar gekerm ontgaat niemand.
Na een uur of twee komen de eerste bloeduitslagen binnen. Niks geen longembolie. Mijn leverfuncties blijken behoorlijk verstoord. "We gaan nu onderzoeken of de lever het überhaupt nog doet." Met deze woorden laat de internist ons achter. Ik ben te suf om de impact van deze woorden volledig tot me door te laten dringen. Sjoerd en mijn moeder echter beleven angstige momenten. Sjoerd ziet ons leven samen aan zich voorbij trekken en denkt even dat dit het dan is. We hebben elf mooie jaren gehad maar nu stopt het. Godzijdank krijgen we beter nieuws. Mijn lever functioneert nog prima, hij is alleen flink ontstoken.

Ik word opgenomen op B3 West. Mijn iv-kuur wordt stopgezet. Sowieso om de lever rust te gunnen. En mogelijk is het een reactie op de medicijnen die ik nog niet eerder kreeg.
Naar later blijkt werd de hepatitis veroorzaakt door een ordinair virus. Welk virus is nooit boven water gekomen.


1 opmerking:

Jolanda zei

Jemig, wat ontzettend schrikken!