maandag 2 december 2019

CF en de taaie psyche

In mijn column voor het CFcenTRaal van maart 2019 keek ik terug op de psychische impact die CF op het zoute leven heeft, maar die we nog wel eens willen vergeten. Al dan niet bewust. Wat toen lekker ver van mijn bed leek is met de kennis van nu akelig actueel gebleken.

*****
Lieve Bas,
Als ik goed tel - en de vriendinnen met een vergelijkbare professie buiten beschouwing laat - heb ik in mijn leven tegenover drie verschillende psychologen gezeten.

Mijn eerste sessie was als brugpieper. Wat opgelopen pestaverij in combinatie met de eerste serieuze stuiptrekkingen van CF, maakte dat ‘men’ vond dat ik mijn hart maar eens bij een zielenknijper uit moest storten. Ik voelde me diep gekrenkt, ik was immers niet gék! De aardige man met zijn typerende beroepsbaard kwam gelukkig tot dezelfde conclusie. Ik was een heel normaal meisje, met een flinke rugzak. En een rug die sterk genoeg was om die tas mee te torsen.

Een paar jaar met de gebruikelijke puberworstelingen later, zat ik tegenover een zwaarlijvige eerstelijns psycholoog die op de proppen kwam met chakra’s. “Stel je ze maar voor als frietzakjes,” sprak hij Freudiaans. De tarotkaarten kwamen nog net niet op tafel. Uit al het esoterisch gewauwel destilleerde ik toch nog een mantra dat me altijd is bijgebleven: “Oordeel niet.” Het toepassen ervan lukt me met het klimmen der jaren steeds beter.

Toen een paar jaar geleden het woord “longtransplantatie” viel, manoeuvreerde mijn longarts me in één vloeiende beweging richting de poli psychologie. Voor alles wat buiten het longveld lag, moesten andere hulptroepen worden ingeschakeld. Na het invullen van een hoop vragenlijsten en een eerste verkennend gesprek, bleek de diagnose een lichte mate van depressie. Niet gek, gezien de geldende omstandigheden en vooruitzichten. Psychologe Diny was nog dunner dan ik destijds en professioneel lief maar doortastend. Ik probeerde heel erg ‘de klik’ te voelen. Want dat was toch zo belangrijk, volgens alle kenners om me heen. Maar eigenlijk voelde ik vooral niks. De enige gedachte die regelmatig oppopte was de stille wens om morgen niet meer wakker te worden. Maar die sprak ik natuurlijk niet uit.

Het was diezelfde Diny die de term ‘peergroup’ introduceerde. Volgens haar was ik buiten mijn peergroup opgegroeid, door CF. Ik viel altijd wel ergens mee buiten de boot. Om de haverklap afwezig wegens ziekte, niet met de fiets naar school kunnen maar met de auto gebracht moeten worden. En nog steeds ben ik iemand die zich meestal wel in een uitzonderingspositie bevindt, zonder Echte Baan en Kind, om maar wat te noemen. Tegenwoordig stuit dat gelukkig in de meeste situaties op begrip, maar het geeft mij toch ook het schurende gevoel een tikkeltje minderwaardig te zijn. Er moet immers vaak rekening met me worden gehouden. Behalve als ik met mijn zoute familie ben. Dát is mijn peergroup. Het klinkt ook veel leuker dan contact met lotgenoten. Minder ziek. Minder patiënterig. Normaler.

Met de komst van Orkambi verdween het gros van mijn angsten en levenloosheid als sneeuw voor de zon. Het traject bij Diny werd afgesloten en nog steeds sta ik elke morgen juichend op, blij dat ik leef. Om die sterke rug soepel te houden werp ik me behendig in een zonnegroet en tel intussen mijn chakra’s even na. Ze zitten er nog steeds allemaal.

Liefs,
Irène

Geen opmerkingen: