maandag 7 december 2020

Confrontatie

Het was een filmpje op Facebook dat me voor de tweede keer in een paar dagen tijd onder ogen kwam. Een Amerikaans kinderkoor zong een liedje over herinneringen. Het was in coronastijl opgenomen, met talloze hoofdjes op kleine schermpjes, gemonteerd tot een gezamenlijk beeld. De opgepoetste kopjes Zoomzongen elk vanuit het eigen huis, met van die draadloze oortjes in en de plechtige blik op oneindig. Hun hoge, loepzuivere stemmetjes sneden door mijn ziel. Toen ook nog de strijkers werden ingezet was er geen houden meer aan.

Het was de rol cadeaupapier waarmee ik in de weer was geweest. Met zorg verpakte ik het chocolade lekkers in een jasje van een sinterklaaspapier. Bij de pakjes wafels schreef ik kaartjes met voor elke ontvanger een persoonlijke noot. Sinterkerst loopt hier vloeiend in elkaar over. Weemoedig dacht ik terug aan de eindeloze stroom cadeaus die ik bij een niet nader te noemen parfumerie van deftig papier en luxe strikken had voorzien. En hoe zeer ik die heerlijke middagen miste. Net als het zingen met mijn koor. Beide bezigheden hadden me toch zoveel plezier gebracht. Maar met de kennis van nu waren het venijnige bronnen van infectie waarin ik me vrolijk onderdompelde.

In het schemerdonker was ik vertrokken. Door de speakers schalde mijn Kazige Kerstlijst die ik op Spotify had aangemaakt. Als een dief in de nacht sloop ik naar voordeuren en brievenbussen. Stilletjes de klep openen, de post in de gleuf friemelen, aanbellen of kloppen en weghollen. Op de automatische piloot vervolgde ik de route die me zo eigen is, maar die ik in februari voor het laatst aflegde. De verlichte huizen en tuinen die ik passeerde waren talloos. Alsof de bewoners vonden dat er dit jaar gecompenseerd moest worden. Het trof me. Toen ik de auto het parkeerterrein opdraaide zag ik dat mijn plekje vrij was. Onwennig schoof ik de stationwagon tussen de lijnen. In het hoge gebouw voor me brandde licht. Mensen liepen op en neer. Er was bedrijvigheid. De opkomende brok in mijn keel liet zich moeilijk wegslikken. In mijn ogen prikten tranen. Ik keek naar het leven zoals ik het kende maar dat voor mij stopte in maart.

Als afgesproken belde ik aan. Ik zette de bruine tas met presentjes alvast neer en manoeuvreerde mezelf snel twee meter naar achteren. Slv kwam uitbundig zwaaiend naar de schuifdeuren. Ze droeg een mondkapje. Oh ja. Dat moet nu. Ik wist het wel, maar kende het tot dit moment alleen van tv. We kletsten als vanouds. Achter haar liepen mensen. Ook zij droegen mondkapjes. Plots zag ik hem. Midden in haar zin riep ik "Is Cn nog hier?" Een paar uur eerder hadden we elkaar op het scherm gezien maar nu was hij hier echt. Op een drafje ging Slv achter hem aan. En daar stond hij, pal voor mijn neus. Voor het eerst sinds de pandemie voelde ik de behoefte mijn armen om iemand anders dan mijn dierbaren heen te slaan.

Het was de confrontatie met de strikte zelfisolatie die nu al zo lang duurt. De optelsom van herinneringen die elke december opnieuw uitgelicht wordt. De potpourri aan emoties die zich aan het eind van het jaar onverbiddelijk naar de oppervlakte wringt. Als een puist die op springen staat. It hit me in the face, with a chair. In een waas van tranen en lichtjes reed ik naar huis, de Kazige Kerstlijst bleef ze uitbraken.

Geen opmerkingen: